Reisboot
Reizen met de eigen boot

Kentekens en namen op boten: wat moet er op staan en waar?

Geactualiseerd: augustus 2026 

Op de bon zonder bootnaam
Verontwaardiging in een regionale krant een paar jaar terug; een schipper werd volgens de krant op de bon zijn geslingerd omdat zijn boot geen zichtbare naam had. De agent had gelijk, de verontwaardigden niet. Het is dus handig om je zaken op orde te hebben ter vermijding van ergernis en een boete: die zijn op het water altijd fors. 
Voordat je van alles en nog wat op de boot gaat plakken of schilderen is het belangrijk om even te kijken wat in ieder geval verplicht is. Die verplichtingen staan in de wet dus die wordt hierna uitgelegd.

 Hoe zit het?

1. Goed leesbare naam. Zonder een goed leesbare naam aan de buitenzijde van de boot (BPR art. 2.02 1e lid onder a./RPR art. 2.02 2e lid onder a) mag je niet varen. De bon waarover gesproken werd in het krantenartikel was dus terecht. En mocht je je nu afvragen wat ‘goed leesbaar’ is: in het buitenland zul je de eis tegen komen dat de letters minimaal 10 cm hoog moeten zijn (CEVNI art. 2.02 2e lid), in het BPR staat met zoveel woorden dat het moet afsteken tegen de achtergrond: anders wordt het wel erg moeilijk om ‘goed leesbaar’ te zijn. Waar? De naam mag je op een plek zetten die jij mooi vindt ( boeg, zijkant, achterkant) zolang het maar in het zicht is vanaf het water want plat op het dak zou alleen voor een helikopter of drone leesbaar zijn. Daarmee zijn we gelijk bij het doel van deze verplichting aangeland want waarom is het verplichtIn de toelichting op BPR art. 2.02  wordt dat duidelijk omschreven: “Het eerste lid, litt. a, behelst de verplichting tot aanduiding van de naam van het schip; aldus is het mogelijk het schip aan te roepen.” 


2. Naam en woonplaats van de eigenaar. Dat hoef je niet met grote letters op je boot te zetten: een klein visitekaartje-achtig formaat is voldoende. Dat kaartje mag aan de binnen- of de buitenkant zitten als het maar op een opvallende plaats zit (zelfde BPR artikel/lid onder b.). En waarom is die verplichting er dan? De toelichting op het BPR zegt: “In het eerste lid, litt. b, dient de aanduiding van de naam en de woonplaats van de eigenaar niet het belang van de verkeersveiligheid, maar het belang de eigenaar van een gevonden, onbemande boot op te sporen.”

Mocht je boot echt een keer opgespoord moeten worden dan is het handig om meer op het kaartje te zetten dan "J.Jansen Utrecht” want dan wordt het nog een aardig zoekplaatje om je te vinden. Een telefoonnummer en/of e-mail adres erbij zetten is dus niet verplicht maar wél handig. 

Voor roeiboten, kleine (< 7 meter) zeilboten, bijboten en snelvarende motorboten gelden deze regels niet. Let op: voor motorsloepen < 7 meter gelden de regels dus wélSnelvarende boten hebben in plaats van een bootnaam en naam/woonplaats eigenaar een Y-nummer dat verbonden is aan de registratie bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). (zelfde artikel 3e lid). Dat Y nummer moet ook goed leesbaar zijn aangebracht en iedere letter/cijfer moeten minimaal 15 cm hoog en 10 cm breed zijn met een dikte van minimaal 2 cm. Het nummer moet aan beide zijkanten van de boot worden aangebracht. Heb je een snelvarende bijboot dan worden die tekens misschien wat te groot om een plek voor te vinden. Alleen dan mag het ook een slagje kleiner: 10 cm hoog, 6 cm breed en 1,5 cm dik (BPR art. 8.02).

3. Bijboten moeten volgens het BPR een ‘kenteken' hebben aan binnen- of buitenzijde waaruit kan worden opgemaakt wie de eigenaar is (zelfde artikel 2e lid). Praktisch: een bijboot die harder kan dan 20 km/h moet een eigen ‘Y’-nummer hebben en daarmee is dit punt ook afgedekt. 

Voor bijboten die niet zo snel kunnen is er in Nederland alleen de verplichting om de de eigenaar te kunnen achterhalen. Hoe je dat praktisch doet is niet aangegeven in de regels. Maar iedere bijboot een uniek HIN/VIN nummer op een plaatje (op dat plaatje staat ook de CE keur) dat zou je als ‘kenteken’ kunnen aanmerken. Als je daarnaast een mailadres plakt waardoor contact opgenomen kan worden met de eigenaar en de eigenaar een rekening heeft van de boot met dat HIN/VIN nummer er op, dan kun je bewijzen dat de bijboot eigendom is van de eigenaar. Die rekening hoef je niet overal mee naar toe te nemen maar je zou het bij je bootpapieren kunnen bewaren. 

Maar we zijn er nog niet: in het CEVNI (de overkoepelende Europese binnenvaartregels) staat (art. 2.02 4e lid) dat de naam van het moederschip ook vermeld moet zijn op de bijboot. Hoewel dit punt niet overgenomen is in het Nederlandse BPR en RPR is het zo dat dit in sommige andere Europese landen wél het geval is. Ook hier geldt dat het alleen bedoeld is om de eigenaar te kunnen vinden dus het hoeft niet in grote letters op de boot gezet te worden. Dat zou ook ongemakkelijk kunnen voelen omdat dan op afstand duidelijk zichtbaar is dat de opvarenden wellicht niet aan boord zijn. Praktisch: vlak naast het plaatje met het HIN/VIN nummer kun je naast het e-mailadres van de eigenaar ook de naam van het moederschip met de toevoeging ‘TT’ (Tender To) zichtbaar maken.

Maar dan zijn we er nog steeds niet…… er zijn ook kleine schepen die de zee op gaan en onder Nederlandse vlag varen (lees: in het vlagregister opgenomen zijn). Daarvoor geldt dat: “draagt de reder, de rompbevrachter of eigenaar er zorg voor dat de naam en het internationaal vastgestelde kenmerk van het zeeschip en de thuishaven, gelegen in het land waar inschrijving in het vlagregister plaatsvindt, in duidelijk leesbare letters op het zeeschip vermeld staan”  (Rijkswet Nationaliteit Zeeschepen, art. 5, 1e lid, d). De Zeebrievenwet (art. 16) bepaalde aanvullend hierop nog dat scheepsnaam en naam van de plaats van de thuishaven op het achterschip moesten staan. Deze regeling is in 2025 ingetrokken en er is voor zover bekend nog geen regeling voor in de plaats gekomen. Je hebt op dit moment dus de vrijheid om zelf te kiezen waar je de naam en thuishaven zet, b.v. naam aan weerszijden op de boeg, thuishaven op de achterzijde. Het ‘kenmerk’ waar in de wet over gesproken wordt is het IMO nummer; dat hebben plezierjachten niet. 

Dus ook als jouw boot permanent in het buitenland ligt: de thuishaven die er op moet staan blijft altijd de Nederlandse thuishaven die vermeld staat in de Meetbrief behorende bij de Zeebrief. Als je ‘Cannes’ op de boot zet en de Nederlandse vlag buiten hangt klopt dat dus juridisch niet en leidt dat vroeg of laat tot problemen met controlerende instanties. Het kan ook zijn dat je boot in een ander land, b.v. in Polen, is geregistreerd dan moet je dus altijd de Poolse vlag voeren en de thuishaven die in de Poolse Zeebrief staat.  Noot: een boot zonder zeebrief, b.v. met een ICP, is juridisch een statenloos schip en daarvoor geldt deze verplichting van bootnaam en thuishaven dus niet.

Samenvattend: als je met jouw boot reist buiten Nederland en afwisselend op zee en binnenland dan moet je naast de naam van het schip ook de thuishaven (volgens de Zeebrief) goed leesbaar op de boot zetten: maakt niet uit waar op de boot als het maar goed leesbaar is op afstand.  Snel varende boten moeten daarnaast een Y nummer aan weerszijden in de juiste grootte op de boot aanbrengen. Op de boot en de bijboot moet, klein maar wel makkelijk vindbaar, de vereiste gegevens aangebracht worden voor het kunnen terugvinden van de eigenaar en (internationaal) het hoofdschip. Dat geldt niet voor (bij-)boten met een Y-nummer: die gegevens zijn door opsporingsambtenaren via de RDW terug te vinden.

Veel voorkomend misverstanden: het is niet verplicht de om de woonplaats van de eigenaar met grote, op afstand leesbare, letters op een klein schip te zetten. Knap onhandig is het als je dit doet en ook de verplichting hebt om de thuishaven groot op de boot te zetten omdat je een zeebrief hebt. Ook hoef je geen hoofdletter N (Nederland) op de boot te zetten dat is alleen voor de beroeps binnenvaart verplicht.